Uit: kreeftengang van Paolo Maurensig
Het was vrijdag; burgemeester Klotz, de dokter en monseigneur Ciliani zaten alweer te discussiëren over de onsterfelijkheid. Een gesprek waar geen einde aan leek te komen. Of dat, erger nog, telkens van voren af aan begon.
‘Onsterfelijkheid is een groot woord,’ zei de heer Klotz.
‘Alles heeft een begin,’ gaf dokter Egony toe, ‘Als de wetenschap eenmaal alle ziektes onschadelijk heeft gemaakt, kan het leven best twee-, drie- of wel vierhonderd jaar duren. Dat zou het begin van onsterfelijkheid zijn.’
‘Maar het leven van ons lichaam verlengen zou nog niet betekenen dat het leven van onze ziel wordt verlengd.’
‘Wat bedoelt u?’ Als hij over zielen hoorde praten werd hij nijdig.
‘Laten we eens aannemen dat de medische wetenschap erin slaagt het menselijk leven met twee-, drie- of wel vierhonderd jaar te verlengen. De vraag die we onszelf moeten stellen, waar we niet omheen kunnen, luidt: de ziel …’
‘De ziel, de ziel,’ onderbrak dokter Egony hem.
‘De psyche, als u dat liever heeft, de geest, kortom, wat ons lichaam zelfbewustzijn toevoegt. Laten we zeggen onze gedachten, ja, onze gedachten. De vraag is dus: hoe kunnen onze gedachten die toegevoegde jaren verwerken? Wat zal de ‘geestelijke’ waarde van één eeuw betekenen voor een mens die er wel twee, drie of vier kan meemaken? Lopen we niet het risico dat we het lichaam van de mens de duurzaamheid van drie- of vierhonderd jaar erbij geven, terwijl zijn geest geen minuut langer kan leven?’
‘Ik kan u niet volgen.’
‘Voor onze geest, voor onze psyche, die is bedoeld voor ongeveer zeventig jaar, moet de toekomst altijd morgen zijn, over een maand, over een jaar of over vijf, zes jaar zijn. Onze geest is niet bij machte zich een toekomst in te denken die verder weg is. En het verleden, dat we dan in eeuwen en niet meer in jaren meten, en dat als het ware is beroofd van de ervaring van het opgroeien en het ouder worden, zou tot louter en alleen herhaling vervallen: gisteren of een eeuw geleden zou geen verschil meer maken. De twee grenzen aan ons geweten, verleden en toekomst, zouden elkaar angstig dicht naderen, en we zouden het op den duur zonder reëel tijdsperspectief moeten stellen. Met andere woorden: wat zou twee-, drie- of vierhonderd jaar betekenen zonder het besef dat we ze echt hebben beleefd? Echte onsterfelijkheid zou voor mij niet het voortbestaan van het lichaam moeten zijn, maar veel eerder uitbreiding van het bewustzijn. Onsterfelijkheid zou een continuüm moeten zijn dat zowel de oorsprong als de toekomst van de mensheid kan omvatten. Het zou een cirkel moeten zijn die zich sluit, het verleden, het heden en de toekomst hecht aaneen smeedt. Dat zou een absolute eenheid zijn. Dan zou een moment uit ons leven werkelijk veranderen in de meest gedurfde hypothese over de eeuwigheid die we ons maar kunnen voorstellen.’
‘Het onbepaald verlengen van het stoffelijk bestaan,’kwam monseigneur Cilianti tussenbeide, ‘zou een vreselijke consequentie hebben: dan zou de mens de ondraaglijke last van zijn eigen zonden voor onbepaalde tijd meetorsen.’
‘Maar hij zou ook de tijd hebben om berouw te krijgen,’ kaatste dokter Egony terug.
Ciliani maakte een vaag gebaar met zijn hand. ‘Soms is een heel leven nog niet genoeg om voor een zonde te boeten. Maar een leven zonder einde zou te veel zijn. Nee, sommige dingen kunnen alleen door de dood worden uitgewist, door goddelijke vergetelheid, de kostbare gave die zorgt dat al onze schulden door Zijn barmhartigheid van ons worden weggenomen.’ Monseigneur Ciliani zuchtte diep. 'De onsterfelijkheid van een individu zou ook de onsterfelijkheid van zijn tekortkomingen en zwakheden zijn. Een dom mens zou altijd dom blijven. Een mens zonder muzikaal gehoor,’ en op dat moment wierp monseigneur Ciliani Kuno en mij een veelbetekenende blik toe, ‘zou dat gehoor nooit krijgen, al leefde hij een miljoen jaar. Maar zijn boosaardigheid, zijn wreedheid, zijn ongevoeligheid en alle ondeugden die, net als honger naar macht, aan geen enkele grens gebonden zijn, zouden wel tot buitensporige proporties kunnen uitgroeien. Haat voedt zich met haat. Zo zou een weerzinwekkend wezen in al die honderden jaren alleen steeds meer weerzinwekkende ervaringen opdoen.’
Toen zweeg de prelaat zwaarwichtig, keek om zich heen en legde, terwijl hij kuchte, zijn bestek op zijn bord.
‘Onsterfelijkheid is een groot woord,’ zei de heer Klotz.
‘Alles heeft een begin,’ gaf dokter Egony toe, ‘Als de wetenschap eenmaal alle ziektes onschadelijk heeft gemaakt, kan het leven best twee-, drie- of wel vierhonderd jaar duren. Dat zou het begin van onsterfelijkheid zijn.’
‘Maar het leven van ons lichaam verlengen zou nog niet betekenen dat het leven van onze ziel wordt verlengd.’
‘Wat bedoelt u?’ Als hij over zielen hoorde praten werd hij nijdig.
‘Laten we eens aannemen dat de medische wetenschap erin slaagt het menselijk leven met twee-, drie- of wel vierhonderd jaar te verlengen. De vraag die we onszelf moeten stellen, waar we niet omheen kunnen, luidt: de ziel …’
‘De ziel, de ziel,’ onderbrak dokter Egony hem.
‘De psyche, als u dat liever heeft, de geest, kortom, wat ons lichaam zelfbewustzijn toevoegt. Laten we zeggen onze gedachten, ja, onze gedachten. De vraag is dus: hoe kunnen onze gedachten die toegevoegde jaren verwerken? Wat zal de ‘geestelijke’ waarde van één eeuw betekenen voor een mens die er wel twee, drie of vier kan meemaken? Lopen we niet het risico dat we het lichaam van de mens de duurzaamheid van drie- of vierhonderd jaar erbij geven, terwijl zijn geest geen minuut langer kan leven?’
‘Ik kan u niet volgen.’
‘Voor onze geest, voor onze psyche, die is bedoeld voor ongeveer zeventig jaar, moet de toekomst altijd morgen zijn, over een maand, over een jaar of over vijf, zes jaar zijn. Onze geest is niet bij machte zich een toekomst in te denken die verder weg is. En het verleden, dat we dan in eeuwen en niet meer in jaren meten, en dat als het ware is beroofd van de ervaring van het opgroeien en het ouder worden, zou tot louter en alleen herhaling vervallen: gisteren of een eeuw geleden zou geen verschil meer maken. De twee grenzen aan ons geweten, verleden en toekomst, zouden elkaar angstig dicht naderen, en we zouden het op den duur zonder reëel tijdsperspectief moeten stellen. Met andere woorden: wat zou twee-, drie- of vierhonderd jaar betekenen zonder het besef dat we ze echt hebben beleefd? Echte onsterfelijkheid zou voor mij niet het voortbestaan van het lichaam moeten zijn, maar veel eerder uitbreiding van het bewustzijn. Onsterfelijkheid zou een continuüm moeten zijn dat zowel de oorsprong als de toekomst van de mensheid kan omvatten. Het zou een cirkel moeten zijn die zich sluit, het verleden, het heden en de toekomst hecht aaneen smeedt. Dat zou een absolute eenheid zijn. Dan zou een moment uit ons leven werkelijk veranderen in de meest gedurfde hypothese over de eeuwigheid die we ons maar kunnen voorstellen.’
‘Het onbepaald verlengen van het stoffelijk bestaan,’kwam monseigneur Cilianti tussenbeide, ‘zou een vreselijke consequentie hebben: dan zou de mens de ondraaglijke last van zijn eigen zonden voor onbepaalde tijd meetorsen.’
‘Maar hij zou ook de tijd hebben om berouw te krijgen,’ kaatste dokter Egony terug.
Ciliani maakte een vaag gebaar met zijn hand. ‘Soms is een heel leven nog niet genoeg om voor een zonde te boeten. Maar een leven zonder einde zou te veel zijn. Nee, sommige dingen kunnen alleen door de dood worden uitgewist, door goddelijke vergetelheid, de kostbare gave die zorgt dat al onze schulden door Zijn barmhartigheid van ons worden weggenomen.’ Monseigneur Ciliani zuchtte diep. 'De onsterfelijkheid van een individu zou ook de onsterfelijkheid van zijn tekortkomingen en zwakheden zijn. Een dom mens zou altijd dom blijven. Een mens zonder muzikaal gehoor,’ en op dat moment wierp monseigneur Ciliani Kuno en mij een veelbetekenende blik toe, ‘zou dat gehoor nooit krijgen, al leefde hij een miljoen jaar. Maar zijn boosaardigheid, zijn wreedheid, zijn ongevoeligheid en alle ondeugden die, net als honger naar macht, aan geen enkele grens gebonden zijn, zouden wel tot buitensporige proporties kunnen uitgroeien. Haat voedt zich met haat. Zo zou een weerzinwekkend wezen in al die honderden jaren alleen steeds meer weerzinwekkende ervaringen opdoen.’
Toen zweeg de prelaat zwaarwichtig, keek om zich heen en legde, terwijl hij kuchte, zijn bestek op zijn bord.

